Dr René Diekstra, Lector Jeugd en Opvoeding: “Behalve zwangerschapsgymnastiek zouden ouders ook opvoedingsgymnastiek moeten krijgen.”
In zijn intreerede in 2003 voegde René Diekstra een nieuw begrip toe aan de discussie over jeugd en opvoeding. Opvoeding een is kwestie van ‘Triple O’: van verbinding tussen Ouders, Onderwijs en Omgeving.
Ruim een jaar nadat het Ministerie van Onderwijs in 2001 de aftrap had gegeven voor het instellen van lectoraten aan de Nederlandse hogescholen, werd René Diekstra benoemd tot lector jeugd en opvoeding aan de Haagse Hogeschool. Op dat moment was hij al zeven jaar adviseur voor jeugdbeleid bij de gemeente Rotterdam. Hij was tevens hoofdredacteur van het rapport Jeugd in Ontwikkeling van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, en in een eerder stadium hield hij zich als klinisch psycholoog bezig met depressieve en suicidale jeugdigen.
Scientist/practitioner
De subtekst is duidelijk: Diekstra heeft al jarenlang een diepgaande belangstelling voor jonge mensen, hun mogelijkheden en hun problemen. Het lectoraat stelde hem in staat zijn wetenschappelijke werk (hij is als hoogleraar psychologie verbonden aan de Roosevelt Academy in Middelburg, een Honorscolege van de Universiteit van Utrecht) te combineren met een meer praktijkgerichte aanpak. “In het Engels noemt men dit een ‘scientist/practitioner combinatie’. Voor de toepassing van de materie kom ik naar Den Haag. Ik pluk de vruchten van de boeiende combinatie van wetenschap en toepassing in mijn werk als adviseur. Ik krijg regelmatig verzoeken van gemeenten om projecten te ontwikkelen. Je hoopt natuurlijk dat die projecten structureel worden. Bij zeven van de tien projecten die ik in de afgelopen 7 jaar heb ontwikkeld is dat gelukt.” Voorbeelden zijn de Roterdamse Jeugdmonitor, Levensvaardigheden, Voorkomende Ouders, Stadsetiquette en Mensen Maken de Stad.
Levensvaardigheden
Diekstra’s bemoeienis met dergelijke projecten gaat vaak verder dan het bedenken en ontwikkelen ervan Zo hiel en houdt hij zich persoonlijk bezig met het trainen van leerkrachten, inmiddels zo’n 1200, voor het programma Levensvaardigheden, waarvan verschillende versies zijn ontwikkeld voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs: “Het is buitengewoon nuttig zelf mensen te trainen in wat je ontwikkeld hebt, want dan hoor je niet alleen wat er speelt maar ook wat de sterke en minder sterke kanten zijn van wat je ontwikkeld hebt en hoe daaraan te sleutelen. Op die manier wordt zo’n programma een co-creatie met het veld.”
Vier sterren
Behalve de lector heeft kenniskringlid Carolien Gravesteijn een belangrijke inbreng in Levensvaardigheden, dat inmiddels op allerlei plaatsen in het hele land wordt gebruikt. “Het programma is evidence-based,” zegt Diekstra. “Het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW) heeft ons hiervoor vier sterren toegekend, en we hebben de ambitie uiteindelijk vijf sterren binnen te halen.” De veelbelovende resultaten van eigen onderzoek werden onlangs bevestigd toen aan het programma een onderzoeksubsidie werd toegekend van een half miljoen euro. Dit uitgebreide onderzoek zal worden uitgevoerd door TNO in samenwerking met het NIGZ.
Kenniscentrum
Gedurende de eerste jaren van het lectoraat werkte Diekstra nauw samen met zijn co-lector, Mieke Komen, maar doordat zij inmiddels gescheiden kenniskringen hebben liep hun werk geleidelijk uiteen. Diekstra betrekt zijn kenniskring zoveel mogelijk bij het werk: “Als ik benaderd wordt door de media of verzoeken krijg voor lezingen, schuif ik mijn mensen waar mogelijk naar voren. Zij kunnen heel goed een adviesrol vervullen en zijn ook buiten de regio actief. Ik wil graag dat zij zich identificeren met een bepaald gebied, zodat ze hun eigen deskundigheid kunnen ontwikkelen. Inmiddels maken twee emeriti hoogleraren en iemand uit het wiskundeonderwijs deel uit van het kenniscentrum zonder dat ze op mijn budget drukken.”
Zwaartepunten
Het lectoraat, dat onlangs een permanente status heeft gekregen, concentreert zich op de volgende zwaartepunten:
De sociale architectuur van de opvoeding, met als subthema's;
a. Opvoeding als organisatieproces
b. Leefomgevingskwaliteit en opvoeding
Waarden, normen en vaardigheden in opvoeding en onderwijs, met als subthema's:
a. Mogelijkheden en beperkingen van de school als plaats voor burgerschapvorming
b. Ontwikkelingen en evaluatie van lesprogramma’s voor burgerschapsvorming in het primair en voortgezet onderwijs
Opvoeden tot Opvoeding, met als subthema's:
a. Een canon voor de opvoeding
b. Sociale en morele ontwikkeling door sport
c. Ouders en pubers
d. Onderwijsprogramma’s aan De Haagse Hogeschool
De sociale architectuur van de opvoeding
Wat het eerste betreft, in de afgelopen vier jaar hebben het lectoraat en kenniscentrum het zogenaamde Triple O model van de opvoeding ontwikkeld, onderzocht en gepropageerd middels publicaties, adviezen aan overheden en andere organisaties. In dit model wordt opvoeding benaderd als een proces waarin de kwaliteit van verbindingen tussen drie actoren of een ‘Triple O’, te weten Ouders, Onderwijs en Omgeving (zowel de menselijke omgeving, bijvoorbeeld de mate van sociale samenhang in straten of buurt als de fysieke en economische omgeving) cruciaal is voor de vierde O, de kwaliteit van Ontwikkeling van kinderen en jeugdigen. Bij de kwaliteit van de verbinding van de drie O’s (Ouders, Onderwijs en Omgeving) staat centraal de vraag welke sociale infrastructuur, dat wil zeggen welke netwerken, organisaties en voorzieningen in welk gebied vereist zijn om zoveel als mogelijk een ‘culture of connectedness’ met betrekking tot de opvoeding en ontwikkeling van kinderen en jeugdigen te doen ontstaan en voortbestaan. Kinderen en jeugdigen die opgroeien in een cultuur van verbondenheid ontwikkelen zich, qua maatschappelijke kansen, lichamelijke en psychische gezondheid, cognitieve en emotionele ontwikkeling in alle opzichten beter dan kinderen die in een niet-verbindende omgeving worden groot gebracht. Een voorbeeld van een activiteit van het Kenniscentrum in deze, is de ontwikkeling en evaluatie, zowel voor het primair onderwijs als voor het voortgezet onderwijs van structuren en methoden voor de bevordering van ouderbetrokkenheid in het voortgezet onderwijs ontwikkeld en geevalueerd. Dit gebeurt samen met gemeenten als Den Haag, Leiden en Gouda en heeft inmiddels een breed geaccpteerde methodiek opgeleverd. Daarnaast wordt een project voorbereid met de gemeente Den Haag en welzijnsinstellingen over de aansluiting van de derde O in het Triple O model, in casu hoe welzijns- en jeugd- en jongerenwerk, jeugdzorg en kinderopvang kunnen worden verbonden met en bijdragen aan de onderlinge betrokkenheid van ouders en onderwijs.
Waarden, normen en vaardigheden in opvoeding en onderwijs
Wat het tweede betreft, waarden en normen in opvoeding en onderwijs, richt het Kenniscentrum zich op de vraag wat volwassenen en organisaties in huis moeten hebben om jeugdigen te stimuleren uit te groeien tot moreel waardige en intellectueel en sociaal vaardige burgers. Er zijn al verscheidene boeken gepubliceerd met bijdragen van beide kenniskringen, maar ook van openbare gezagsdragers als de burgemeester van Den Haag. Zoals het boek Waardenvolle of Waardenloze Samenleving: Over Waarden, Normen en Gedrag in Samenleving, Opvoeding en Onderwijs. Een voorbeeld van een op handen zijnd project in deze is Social Airmiles.
Social airmiles
Diekstra legt uit dat het idee voor een ‘social airmiles’ programma ook valt onder de noemer van de waarden en normen.De bedoeling is dat in de toekomst jongeren van twaalf tot achttien jaar in de vier grote steden allemaal een airmiles kaart waarmee ze door middel van dienstverlening aan mensen die daaraan behoefte hebben social airmiles kunnen verdienen. Deze airmiles kunnen worden ingewisseld voor leuke dingen als sport, vakantie een reis met de hele klas, en dergelijke. We verwachten dat het een uitstekende manier zal blijken te zijn om goed burgerschap te ontwikkelen.”
Opvoeden to Opvoeding
Wat het derde zwaartepunt betreft, is het volgende van belang. Anders dan voor een opleiding of beroep bestaan er voor de keuze voor en opvoeding van kinderen doorgaans geen toelatings- of opleidingseisen. Of die er moeten komen, is een politieke en morele vraag. Wat geen politieke of morele vraag is, is of er inmiddels voldoende wetenschappelijke kennis bestaat over wat de basisvaardigheden voor opvoeding door ouders, leerkrachten en anderen (zoals trainers en coaches op sportverenigingen) zijn, ongeacht cultuur en sociale positie. Het antwoord op de vraag of er voor de opvoeding van kinderen toelatings- of opleidingseisen moeten worden gesteld, wordt overigens in toenemende mate door politici, andere beleidsmakers en onder onder het grote publiek, bevestigend beantwoord.
Een belangrijke volgende kwestie wordt daarmee op welke wijze en op welke momenten de relevante basisvaardigheden het meest effectief in het gedragsrepertoire van ouders, leerkrachten en andere opvoeders ingebracht kunnen worden. Het lectoraat en kenniscentrum zijn de afgelopen paar jaar onder andere bezig geweest met het bijeenbrengen van kennis en methoden op dit terrein en het door middel van publicaties, media-optreden en lezingen verspreiden daarvan. Ook is een ouderprogramma voor de opvoeding van jonge kinderen (tot 6 jaar) ontwikkeld . Voorts is door medewerkers van het lectoraat en kenniscentrum een trainingsprogramma voor leiders/leidsters naschoolse en buitenschools opvang ontwikkeld en getest.
In de komende periode zullen de activiteiten ten behoeve van het opvoeden van opvoeders verder geintensiveerd worden. Dat zal onder andere gebeuren door een onderzoek naar de bijdrage die sportverenigingen en in het bijzonder sporttrainers/coaches kunnen leveren aan de sociale en morele ontwikkeling van kinderen en jeugdigen. In 2005 is binnen het lectoraat en kenniscentrum een promotie-project gestart naar Sportbeoefening en Morele ontwikkeling van kinderen en jeugdigen. Na een eerste fase van literatuuranalyse, wordt begin 2007 gestart met een experiment bij sportverenigingen in Den Haag. De effecten van cultuurbeinvloeding van sportverenigingen en van training van trainers/coaches in opvoedingsvaardigheden op de ontwikkeling van jeugdige sporters in sociaal en moreel opzicht zullen in een gecontroleerde design worden onderzocht. Op basis van de uitkomsten van dit experiment zal zowel een aanbod aan verenigingen worden gedaan alsook voorstellen voor het curriculum van onder andere de HALO-opleiding aan De Haagse Hogeschool.
Slot
Opvoeding volgens Diekstra kent twee hoofdwegen: het creëren van zoveel mogelijk situaties die de ontwikkeling van de kwaliteiten en talenten van jeugdigen stimuleren en het vroegtijdig signaleren van gedrags- en emotionele problemen, om zodanig te kunnen interveniëren dat deze problemen verdwijnen, verminderen of zelfs voorkomen worden. Deze doelstellingen moeten worden gezien in hun onderlinge samenhang. “Door de nadruk te leggen op de potentie van kinderen en hun ouders, kunnen we tegenwicht bieden aan problemen en zelfs het ontstaan daarvan. In feite begint de opvoeding al voor de geboorte, voordat de ouders ‘eigenaar’ zijn van een kind. Daarom dit nog: behalve zwangerschapsgymnastiek zouden a.s. ouders ook opvoedingsgymnastiek moeten krijgen.”