Tussen droom en daad: Den Haag als Grenzeloze Kennisstad

Den Haag transformeert van ambtenarenstad naar ‘kennisstad’. De gemeente wil deze ontwikkeling versnellen door de inrichting van een Central Innovation District in de driehoek tussen het Centraal Station en de stations Hollands Spoor en Laan van Nieuw Oost-Indië. Hoe kun je innovatie organiseren en kan dit gebiedsgericht? Welke innovaties zijn nodig en waar liggen kansen? “Zo’n kenniscentrum moet niet met de rug naar de stad staan, maar coalities sluiten met professionals, marktpartijen en bewoners in de wijken”, zegt Vincent Smit, lector Grootstedelijke Ontwikkeling van De Haagse Hogeschool.

Central Innovation District

In de Grenzeloze Kennisstad die de gemeente voor ogen staat, staan kennis en innovatie centraal. Om hieraan gestalte te geven, wil zij een Central Innovation District (CID) ontwikkelen in de Haagse binnenstad en omliggende gebieden. Hier moet de kenniseconomie zich ontwikkelen. “Den Haag wil haar imago van ambtenarenstad - de ‘schrijftafeleconomie’ - van zich afschudden, nu de oude economie plaatsmaakt voor een kenniseconomie. In de beleidsnota Next Step heeft Den Haag deze ambitie vastgelegd. De vraag is hoe dit zich verdraagt met de doelstelling een ongedeeld Den Haag te zijn, zonder harde scheidslijnen tussen bevolkingsgroepen. De ambitie een CID in te richten, is erg gebiedsgericht: de driehoek tussen de stations krijgt een speciale status. Kennis is echter niet plaatsgebonden, maar is overal”, benadrukt Smit. “Als hogeschool voegen we met ons praktijkgericht onderzoek veel aan het kennislandschap toe. De ervaring leert dat je oplossingen voor veel vraagstukken moet ophalen en ontwikkelen in andere gebieden van de stad. Zo is ook veel kennis aanwezig in Eskamp, de Schilderswijk, Laak, Leidschendam en Voorburg.”

Nieuwe coalities voor stedelijke vraagstukken

Bij het oplossen van grootstedelijke vraagstukken moet de overheid coalities vormen, is de overtuiging van Smit. “De kennisindustrie bevindt zich in een crisis. Er is sprake van verkokering en fragmentatie van kennis, waardoor deze vaak los staat van de maatschappelijke werkelijkheid. De overheid kan het niet alleen. Denk aan de leefbaarheid in wijken, drugsoverlast, jeugdwerkloosheid, armoede en veiligheid. Bij zulke vraagstukken zijn de ogen en oren van wijkbewoners en buurtwerkers van grote betekenis. Hoe ga je dit in een nieuwe rolverdeling - tussen overheid, markt, maatschappelijke organisaties, burgers en bewoners - in een hedendaagse vorm gieten? Hiervoor is een nieuwe vorm van besturen, next governance, nodig. Om te voorkomen dat verlamming ontstaat en te zorgen dat krachten worden gebundeld”, zegt hij. “Hiervoor zijn nieuwe coalities nodig. Hierbij is kennis niet langer eenrichtingsverkeer of lineair georganiseerd. Door samen te werken op basis van partnerships en co-creatie kun je ervoor zorgen dat kennis circuleert en wordt benut.”

Smit gelooft dat de gemeente een kans mist als zij de ontwikkeling van een kenniseconomie uitsluitend op één gebied richt. “Ruimte bieden aan hoogopgeleide kenniswerkers en expats is slechts de helft van de het verhaal. De andere helft zijn lokale, middelbaar en lager opgeleide professionals die dagelijks met hun poten in de modder staan: van schuldsanering en jeugdwerkers tot wijkagenten en hulpverleners. Zij werken op straatniveau en ook dát is kennis. Het CID kan alleen internationaal meetellen als zij een verbinding legt met kennisinstellingen die op wijkniveau opereren. Dat stelt eisen aan de inrichting, de bereikbaarheid en de verknoping van het gebied met de rest van de stad.”

De stad als één geheel

In de ideale situatie fungeert het CID als een ‘schakelstation’ dat lijnen heeft met andere delen van de stad: met ‘labs’ en kenniswerkers die de wijken ingaan, met mensen praten, foto’s en filmpjes maken. Smit: “Dan wordt het kenniscentrum meer dan een geïsoleerd, hoogwaardig eiland dat als een soort vesting in het stedelijke milieu staat. Je moet de stad als één geheel zien en niet als twee steden: het rijke, hoogopgeleide en het arme, laagopgeleide Den Haag. Dan gooi je de helft van de stad als kapitaal weg. Je doet de stad te kort als je het CID eenzijdig ontwikkelt. Het CID kan wel een voortrekkersrol vervullen bij het sterker maken van de stad. Dat zorgt niet alleen voor meer sociale cohesie, maar versterkt ook de internationale concurrentiekracht van Den Haag.”

Samen werken aan Haagse vraagstukken

In de residentie zijn veel nationale en internationale kennisinstituten gevestigd, zoals De Haagse Hogeschool, waardoor de fundamenten aanwezig zijn om te bouwen aan een kennisstad. Smit: “De Haagse bevindt zich middenin dit gebied: met kennis, onderwijs, studenten en docenten. De hogeschool exploreert in de praktijk en haalt uit de wijken allerlei thema’s en bestuurlijke dilemma’s op. Elk jaar studeren duizenden studenten af. Hun kennis is voor een groot deel Haagse kennis. Zo doen we veel praktijkonderzoek waarbij studenten leren van Haagse vraagstukken. Studenten die Veiligheidskunde studeren, komen bijvoorbeeld in aanraking met veiligheidskwesties in Laak of in Schilderswijk, doen wijkprojecten en interviewen wijkagenten.” De Haagse denkt mee over de transformatie van Den Haag naar kennisstad. Smit: “We praten samen met de TU Delft en de Universiteit van Leiden mee over de ambities van de gemeente. Als partners vormen we een coalitie om te kijken hoe wij de kenniseconomie invulling kunnen geven. Dit kan invulling krijgen door de oprichting van een ‘stedelijk lab’: een fysieke plek binnen het kennisgebied, waar studenten en onderzoekers van de universiteiten en de hogeschool zich in gemengde werkgroepen bezighouden met stedelijke thema’s. Zo kunnen onderwijsinstellingen niet alleen elkaar, maar ook de stad versterken.”

Op de Dag van de Architectuur op 20 mei hield Vincent Smit een lezing waarin hij zijn inzichten over de betekenis van een kenniseconomie voor Den Haag en haar inwoners deelde met de publiek