De stad als vluchthaven

Sinds een aantal jaar hopen tienduizenden asielzoekers in Nederland een nieuw leven op te bouwen. Is de grote stad hiervoor de beste plek of zijn zij beter af in kleinere plattelandsgemeenschappen? Deze vraag stond op 29 juni centraal tijdens het symposium ‘De stad als vluchthaven’, dat was georganiseerd naar aanleiding van het afscheid van Baukje Prins, lector Burgerschap en Diversiteit aan De Haagse.

afscheid Baukje Prins Hoe is het om een nieuw leven op te bouwen in een vreemde stad in een vreemd land waarvan je de taal en omgangsvormen niet kent? Basir Karimi, afkomstig uit Afghanistan, is nu zo’n acht jaar in Nederland. “Ondanks de oorlog en ellende heb ik een gelukkige jeugd in Afghanistan gehad. Ik houd nog steeds van mijn land”, vertelt hij. “Op mij 17e vluchtte ik naar Nederland. Een moeilijke tijd brak aan: ik voelde me eenzaam en miste mijn familie. Drie jaar zat ik de asielprocedure. Ik had geen status en mocht niet studeren of werken.” In 2013 kreeg Basir een verblijfsvergunning. Hij heeft zijn inburgeringstraject inmiddels voltooid en volgt nu het schakeljaar aan De Haagse. “Ik ben bezig een saffraan-kwekerij in Afghanistan op te zetten. Mensen op het platteland hebben te weinig inkomsten om hun gezin te onderhouden en hun kinderen te laten studeren. Hierin wil ik verandering brengen. Ik ben blij dat ik, na de eerste moeilijke jaren, in Nederland de kans krijg iets te doen met mijn leven”, zegt Basir, die volgend jaar begint met de opleiding Social Work.

Een nieuwe zoektocht

Aroesa Ibrahim is in Nederland geboren, maar toen ze zes maanden was, is ze naar Pakistan verhuisd. Pas 22 jaar later keerde ze weer terug naar haar geboorteland. “Mijn ouders waren uitgehuwelijkt en zijn al snel na mijn geboorte gescheiden. Mijn moeder besloot om terug te gaan naar Pakistan en mij mee te nemen. Toen mijn moeder hertrouwde, dwong mijn stiefvader haar mij zijn achternaam te geven. Al die jaren had ik geen contact met mijn biologische vader.” Tot 22 april 2015: een dag die Aroesa nooit zal vergeten. “Ik zat op Facebook en gebruikte mijn oude achternaam. Nog dezelfde dag kreeg ik een bericht van een meisje met dezelfde achternaam. Ik negeerde dit, maar na twee dagen ontving ik opnieuw een bericht, nu van een man met dezelfde achternaam.” In het bericht schreef de man dat hij de vader van Aroesa was. Uiteindelijk kwam hij haar bezoeken in Pakistan. Toen moest ze beslissen of ze bij haar moeder wilde blijven of een nieuw leven wilde beginnen in Nederland. Aroesa koos voor het laatste. “Ik geloofde dat het goed was voor mijn toekomst. In Nederland begon mijn nieuwe zoektocht. Het leven was heel anders dan in Pakistan, maar in korte tijd leerde mijn vader mij alles wat ik moest weten. Ik leerde fietsen, omgaan met mensen, boodschappen doen en mijn angsten overwinnen. Ook leerde ik de taal, maar dat was niet genoeg om een opleiding te volgen. Mijn vader stimuleerde mij om een schakeljaar aan De Haagse te volgen. Als dit is afgerond, wil ik rechten studeren.”

Integreren op het platteland

Basir en Aroesa begonnen een nieuw leven in de stad, maar hoe vergaat het migranten in kleinere gemeenschappen op het platteland? Anita Ham is verpleegkundige, medisch antropoloog en docent Verpleegkunde aan De Haagse. In september begon zij een promotieonderzoek naar de integratie van verpleegkundigen met een immigratieachtergrond. Anita volgde 16 vluchtelingen tijdens hun integratie in een zorginstelling op het platteland. “Ik kwam terecht in een witte organisatie waar vooral vrouwelijke verpleegkundigen van middelbare leeftijd werkten. Ze kwamen allemaal uit hetzelfde dorp, waar iedereen elkaar kent. Als in zo’n gesloten gemeenschap nieuwe mensen komen, voelt dat vaak ongemakkelijk.” “Er was grote weerstand onder zorgverleners en familieleden van patiënten. Zij vonden het moeilijk dat er ‘vreemden’ waren die zorg zouden verlenen aan ‘hun’ ouderen. Ze hadden liever een vertrouwd persoon aan het bed,”, vertelt Anita.. “De bestaande verpleegkundigen De migranten vonden dit ook erg moeilijk. Toch beschouwden zij hun opleiding als een kans: als springplank voor een toekomst in de stad.”

Van dorpsgemeenschap tot pluriforme stad

Baukje Prins bevestigt dat de stad, meer dan het platteland, voor veel vluchtelingen een veilige haven is. “In de stad laten mensen elkaar leven en kunnen burgers beter omgaan met verschillen. ‘Vreemde vogels’ en eigenzinnige mensen horen bij de stad. Terwijl het in het dorp draait om de gemeenschap, waar mensen dezelfde normen en waarden delen, geldt dat in de stad veel minder. Daar is pluriformiteit, verschillend zijn, veel belangrijker”, zegt ze. “Er zijn in de stad meer kosmopolitische omgangsvormen, waardoor stereotypen en vooroordelen sneller worden doorbroken. Maar voor ons allemaal geldt dat we op migranten niet het label ‘vluchteling’ moeten blijven plakken. Zij komen aan in een nieuw land en willen gewoon verder met hun leven.”